Geïntegreerde en persoonsgerichte zorg

Aanvullend onderzoek


Aanvullend onderzoek wordt verricht op het moment dat er aanwijzingen zijn voor Astma.

 

a. Spirometrie in eigen beheer: (zie anders onder verwijzing)

Voer spirometrie bij verdenking astma uit, zo kort mogelijk op het ontstaan van de klachten.

  • Bepaal de FEV1, FVC en Flow-volume-curve (volgens protocol bijlage COPD protocol)
  • Bij FEV1/FVC-ratio z-score < -1,64 na bronchusverwijding met salbutamol is er sprake zijn van een persisterende obstructie, mogelijk op basis van een dubbeldiagnose Astma en COPD of onderbehandeld astma.
  • LET OP: Ook al is de pretest normaal, doe altijd een reversibiliteitsmeting
  • Een toename van de FEV1 ten opzichte van de waarde vóór de bronchusverwijding met ≥ 12% (en (bij een kleiner longvolume) met minimale toename van 200 ml) ondersteunt de diagnose Astma. Echter een normaal spirometrie sluit Astma niet uit.
  • Bij een blijvend vermoeden van astma na een normale spirometrie wordt geadviseerd in een periode met klachten het spirometrisch onderzoek te herhalen, of bij klachten in specifieke situaties (werk, ’s nachts, bij inspanning) piekstroommeting te verrichten, eventueel aangevuld met een meting na bronchusverwijding.

De FEV1/FVC-ratio wordt vanaf 2015 gekoppeld aan de Lower Limit of Normal (LLN). De ratio wordt dus nu gecorreleerd aan wat voor die leeftijd normaal is. De ondergrens van de LLN wordt omgezet in een Z-score. (90% betrouwbaarheidsinterval). De Z-score staat gelijk aan de afwijking tov het gemiddelde (ofwel de standaarddeviatie) Het voordeel van deze Z-score is dat de ondergrens voor iedere leeftijd hetzelfde is. (=-1,64). Het hanteren van de Z-score loopt parallel met het gebruik van de nieuwe referentiewaarden: de GLI. Het voordeel van deze normaalwaarden is dat zij gebruikt kunnen worden voor kinderen en volwassenen.

 

b. Allergologisch onderzoek

Allergologisch onderzoek met behulp van allergeen-specifieke IgE bepalingen. Als deze test positief is, zal het laboratorium vaak direct het allergeen specifieke IgE bepalen van de meest voorkomende inhalatieallergenen (huisstofmijt, gras-, boom- en kruidpollen, honden- en kattenepitheel, en schimmels). Is de phadiatop negatief, maar zijn er anamnestisch wel aanwijzingen voor een specifieke allergie voor de bovenstaande allergenen of bij het vermoeden van een allergie voor andere dieren (cavia, konijn, paard, vogel) vraagt de huisarts – ook als het screeningsonderzoek negatief is – het betreffende allergeen specifieke IgE aan.
Hoewel bloedonderzoek op inhalatieallergenen de voorkeur heeft (omdat dit minder belastend is voor de patiënt), kan de huisarts ook huidpriktests aanvragen (zie NHG-Standaard Allergische en niet-allergische rhinitis).

 

c. X-thorax

Bij een discrepantie tussen de ernst van de klachten en de longfunctieafwijking (chronisch hoesten of dyspnoe en betrekkelijk geringe longfunctieafwijkingen) vraagt de huisarts een X-thorax aan om andere longaandoeningen (longcarcinoom, tbc, pneumothorax) op het spoor te komen dan wel uit te sluiten.

 

d. Proefbehandeling

Als er geen harde criteria zijn om de diagnose astma te stellen, maar er wel een sterk vermoeden is op basis van de anamnese, overweeg dan een proefbehandeling met kortwerkende bronchusverwijders en controleer dan na 2 weken. Reactie op een proefbehandeling is slechts ondersteunend aan de diagnose, maar niet bewijzend voor de diagnose.