Geïntegreerde en persoonsgerichte zorg

Handreiking GGZ in de huisartsenpraktijk


U kunt de handreiking hieronder lezen, of via deze link in PDF bekijken: Handreiking GGZ in de huisartsenpraktijk.

 

  1. Inleiding
  2. Definitie GGZ en terugblik
  3. GGZ in de huisartsenpraktijk
  4. Eerste opvang en diagnostiek
  5. Begeleiding en behandeling
  6. Rol van de huisarts als poortwachter
  7. Samenwerking
  8. Deskundigheidsbevordering
  9. Financiën
  10. Downloads

 

1. Inleiding

De geestelijke gezondheidszorg (GGZ) is sterk in beweging mede als gevolg van het in 2014 ingevoerde GGZ-stelsel. In het GGZ-stelsel worden, naast de nulde lijn, drie echelons onderscheiden: huisartsenzorg, generalistische basis GGZ (GBGGZ) en specialistische GGZ (SGGZ). De huisartsenzorg heeft daarin een grotere rol gekregen in de opvang, begeleiding en behandeling van patiënten met een psychische problematiek. De toegang tot de andere echelons in de GGZ is beperkt. Daarnaast is er voor de behandeling in de GBGGZ en SGGZ sprake van een eigen risico, voor de huisartsenzorg niet. Het werken binnen dit GGZ stelsel heeft grote consequenties voor huisarts en patiënt. Deze consequenties staan beschreven in de Toekomstvisie Huisartsenzorg2022 en in het Standpunt GGZ in Huisartsenzorg, de regionale vertaalslag staat beschreven in deze handreiking. In deze uitreiking volgen we het standpunt van de GGZ in de huisartsenzorg. Deze staan hieronder in het groen weergegeven.

Uitgangspunten van de Toekomstvisie huisartsenzorg 

De patiënt krijgt laagdrempelig, zonder wachttijden, zorg op maat in de eigen woonomgeving door optimaal gebruik te maken van de expertise van de huisarts en, indien aanwezig, de praktijkondersteuner GGZ (POH GGZ). De huisarts houdt daarbij rekening met de eigen inbreng, en wensen van de patiënt bij de diagnosestelling en het behandelbeleid. Door aan te sluiten bij de eigen mogelijkheden bevordert hij zelfredzaamheid en zelfmanagement. De zorg voor patiënten met psychische problematiek maakt onderdeel uit van huisartsenzorg en kan niet los worden gezien van de persoonlijke voorgeschiedenis en context van de patiënt. Indien de problematiek ernstig en/of gecompliceerd is en behandeling niet of niet alleen binnen de huisartsenpraktijk kan plaatsvinden wordt de patiënt verwezen. Er is met de samenwerkingspartners afstemming over de behandeling, afspraken over verwijzen, verwijsbrief, terugrapportage en terug verwijzing.

Hoewel deze verandering een grotere belasting betekent voor de huisartsenpraktijk en daarbij hogere eisen stelt aan de kennis, vaardigheden en capaciteit binnen de huisartsenpraktijk is een aantal voordelen van deze verandering te noemen. Zo betekent het voor de patiënt dat laagdrempelige integrale zorg zonder lange wachttijden geboden wordt waarbij het eigen risico niet wordt aangesproken. Voor de huisarts is het voordeel dat patiënten met ingewikkelde, soms ernstige psychische/psychiatrische problematiek, die voorheen niet verwezen wilden worden, toch geholpen kunnen worden. Voor de achtergrond van de veranderende rol verwijst dit zorgprogramma naar bovengenoemde documenten. Hierin staat tevens het in 2014 ingevoerde GGZ stelsel beschreven.

Doelstelling GGZ handreiking in de huisartsenpraktijk
Doel van deze handreiking is behulpzaam te zijn bij het versterken van de geïntegreerde eerstelijns zorg voor mensen met psychosociale, psychische en psychiatrische problematiek in regio DWO/NWN. Door afstemming en stroomlijning aan te brengen in de al ontwikkelde regionale afspraken en waar nodig doorontwikkeling te stimuleren wordt verwacht deze doelstelling te realiseren.

Deze handreiking richt zich op alle leeftijden en is ter ondersteuning voor de praktiserende huisarts en POH GGZ in de regio. Het biedt een actueel overzicht van onder andere de samenwerkingsafspraken en regionale protocollen die in de dagelijkse praktijk toepasbaar zijn. De negen uitgangspunten uit het Standpunt GGZ in de huisartsenpraktijk vormen de leidraad. Nieuwe afspraken en ontwikkelingen worden in de handreiking vastgelegd en zijn daardoor altijd toegankelijk voor de zorgverleners.

Naast de handreiking zal een beleidsvisie ontwikkeld worden waarmee inzichtelijk wordt waar we naar toe willen groeien in de regio, welke lacunes er zijn en hoe we deze stapsgewijs kunnen wegnemen.

Deze handreiking is ontwikkeld door ZEL in samenspraak met Ron Glotzbach, kaderhuisarts GGZ.

Daarnaast hebben de andere GGZ kaderhuisartsen en GGZ instellingen een bijdrage geleverd aan deze handreiking.

 

2. Definitie GGZ en terugblik

Definitie Geestelijke gezondheidszorg in de huisartsenzorg

GGZ in de huisartsenzorg is de zorg voor patiënten met psychische, psychosociale en psychiatrische problematiek als onderdeel van integrale generalistische huisartsenzorg.

Terugblik
In de jaren negentig heeft de huisartsengeneeskunde zich vooral op somatische zorg gericht. Psychiatrische stoornissen en psychosociale problematiek werden tot het domein van de GGZ instellingen gerekend. Echter, de huisarts kreeg ook toen al veel patiënten met GGZ gerelateerde problematiek op het spreekuur. De verwijsmogelijkheden waren beperkt en daarbij hadden de GGZ instellingen bij zowel de huisartsen als bij een meerderheid van de patiënten een slechte naam. Op initiatief van wijlen minister Borst werd het consultatieproject opgestart. Sociaal psychiatrisch verpleegkundigen (SPV) deden vanuit hun GGZ instelling (GGZ Delfland en Riagg Rijnmond) wekelijks een aantal uren spreekuur op de huisartsenpraktijk. Dit project was een groot succes; in de regio had het merendeel van de huisartsenpraktijken een SPV’er die laagdrempelige hulp bood. Hiermee werd het consultatieproject structurele zorg in de huisartsenpraktijk, geleverd door de specialistische GGZ instellingen. De patiënt die de SPV’er op het spreekuur kreeg had soms lichte problematiek, er werden echter altijd specialistische tarieven in rekening gebracht. De oplossing van deze te dure zorg werd gezocht in de POH GGZ onder regie van de huisarts.

 

3. GGZ in de huisartsenpraktijk


Stand van zaken

In het in 2014 ingevoerde GGZ stelsel worden, naast de nulde lijn, drie echelons onderscheiden: huisartsenzorg, generalistische basis GGZ (GBGGZ) en specialistische GGZ (SGGZ). De toelichting op deze echelons kunt u teruglezen in o.a. het Standpunt GGZ in de huisartsenpraktijk.


GGZ in de huisartsenpraktijk

De combinatie huisarts en POH GGZ in de huisartsenpraktijk is inmiddels niet meer weg te denken. De vraag is toegenomen, deels doordat de drempel lager is en er minder taboe op rust. Mogelijk is dit deels veroorzaakt door maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de economische crisis.

In hoofdlijnen zijn in de huisartsenpraktijk de rollen als volgt van elkaar te onderscheiden:

 

4. Eerste opvang en diagnostiek

Uitgangspunt NHG-standaard – De huisartsenzorg zorgt 24 uur per dag voor de opvang van alle patiënten (van jong tot oud) met psychische klachten vanuit een generalistisch perspectief. De huisarts kijkt naar de lichamelijke, psychische en sociale aspecten van de vraag van de patiënt en maakt een eerste inschatting van de (ernst van de) problematiek. Hierbij houdt hij zo goed mogelijk rekening met de individuele kenmerken van de patiënt, diens achtergrond en levensloop en de leef- en werkomgeving. De huisarts integreert deze factoren met de lichamelijke, psychische en sociale aspecten die het welbevinden en de gezondheid kunnen bedreigen.

 

4.1 Signalering

Bij (vroeg)signalering gaat het om het tijdig oppikken van signalen die kunnen duiden op psychische problemen. Het doel is het voorkomen van (een verergering van) psychische problematiek. Preventie binnen de GGZ is een taak van de huisarts en de POH GGZ. De huisarts vormt de poortwachter voor de GGZ en kan bij contacten met de patiënt preventief naar de geestelijke gezondheid kijken. De POH-somatiek, wijkteams (maatschappelijk werk), thuiszorg en paramedici hebben ook een taak in de signalering van psychische problemen en verwijzen zo nodig naar de huisarts voor verdere analyse. Zorgverlener kunnen (na toestemming van de patiënt) ook zelf contact opnemen met de huisarts.


4.2 Probleemverheldering en triage

Het doel is om door middel van screening en triage een beeld te krijgen van de klachten van de patiënt en te verhelderen, om vervolgens de gepaste zorg te bepalen.


Probleemverheldering

Het doel is een beeld te krijgen van de klachten, oorzaken en zelfredzaamheid van de patiënt. De problemen worden vanuit verschillende invalshoeken belicht (onder andere wonen, werk, inkomen, welzijn en familie).

Tabel_Probleemverheldering

 

 

Triage
Het doel van de zorgverlening is te komen tot een voorlopige beschrijving van de klachten en het stellen van een eerste diagnose na het opstellen van een beleid. Het beleid kan zijn afwachten, behandelen/begeleiden binnen de huisartsenpraktijk of verwijzen naar GBGGZ of SGGZ. Het standpunt van het NHG wordt gevolgd om voorlopig af te zien van een triage-instrument, omdat er nog geen gevalideerde instrumenten voor de eerste lijn zijn.

De overheid heeft besloten dat een verwijzing alleen wordt vergoed indien er sprake is van of verdenking is op een DSM-5. De DSM is een classificatiesysteem dat ontwikkeld is voor onderzoek. Een DSM classificatie is geen diagnose, omdat het niets zegt over de ernst en samenhang van de problemen die iemand heeft. De systematiek wordt gebruikt in de 2e lijn, maar is minder geschikt voor de huisartsenpraktijk.

Daar waar de verzekeraars graag hebben dat de verwijzers gebruik maken van een verwijsinstrument zijn de LHV en psyHAG van mening dat screenings niet gevalideerd zijn en daarom het gebruik ervan niet verplicht mag worden.

Daarbij is triageren een van de kernkwaliteiten van de huisarts waarbij de ernst, diagnose en ingewikkeldheid van het probleem van belang is, maar daarnaast ook contextuele factoren zoals financiële aspecten, wens van de patiënt, wachtlijsten, sociale kaart etc.

De 4 DKL is een goed hulpmiddel bij het stellen van de diagnose en is gevalideerd voor de huisartsenpraktijk.

tabel4.3

[3] Nadrukkelijk is het niet de bedoeling om uitsluitend naar aanleiding van de uitslag van screeningslijsten een diagnose te stellen. Het screeningsinstrument is een hulpmiddel in het verhelderen van de klacht.


4.3 Verwijshulp

In samenwerking met verschillende partijen zijn verwijsafspraken en een Verwijshulp GGZ bij klachten en/of (vermoeden van) een stoornis ontwikkeld. De verwijshulp kan gebruikt worden door huisartsen en POH GGZ als hulpmiddel voor verwijzing naar de Generalistische Basis GGZ of de Specialistische GGZ. In de verwijshulp wordt verwezen naar een overzicht DSM IV Diagnosegroepen.

 

5. Begeleiding en behandeling

Uitgangspunt NHG-standaard – De patiënt wordt behandeld met de minst ingrijpende interventie die past bij de aandoening, de klacht(en) en de lijdensdruk van de patiënt. De behandeling is zoveel mogelijk gebaseerd op wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen waarbij rekening wordt gehouden met wensen, motivatie en mogelijkheden van de patiënt. De huisarts kan zorg binnen de huisartsenvoorziening delegeren aan de POH GGZ.


5.1 Patiënten in huisartsenpraktijken

Indien de patiënt voldoet aan één van de volgende voorwaarden wordt deze behandeld in de huisartsenzorg:

  1. Geen vermoeden van DSM-benoemde stoornis;
  2. Vermoeden DSM-benoemde stoornis:
    a. Met licht of subklinische ernst,
    b. Laag risico,
    c. Complexiteit laag of afwezig,
    d. Duur (beloop) van de symptomen, beantwoordt (nog) niet aan de criteria uit de richtlijn voor het betreffende ziektebeeld;
  3. Stabiele chronische problematiek, niet crisisgevoelig en met een laag risico;
  4. Patiënten die volgens de verwijscriteria naar de GBGGZ of SGGZ kunnen worden verwezen, maar de voorkeur geven aan behandeling / begeleiding door de huisartsenpraktijk. De huisarts en POH GGZ dienen hier duidelijke afspraken over te maken, waarbij motiveren voor een verwijzing onderdeel uitmaakt van de begeleiding.

5.2 Individuele behandelplan
Landelijk ziet men in de gezondheidszorg de introductie van het individueel behandelplan. Doel hiervan is om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de situatie en wensen van de cliënt. Advies in deze handreiking is om voor iedere patiënt een individueel behandelplan op te stellen en vast te leggen in het HIS. Het individueel behandelplan heeft de volgende doelen:

  • De afspraken en het behandeldoel zijn duidelijk vastgelegd;
  • De verschillende behandelaars worden geïnformeerd over de stappen die zijn gezet;
  • De zorg is meer patiëntgericht waardoor de therapietrouw toeneemt;
  • Het werken met een individueel behandelplan nodigt de patiënt uit tot meedenken, vragen stellen en rapporteren.

De voorwaarde voor een succesvolle behandeling is een goede relatie tussen behandelaar en patiënt en daarnaast goede communicatie tussen huisarts en POH GGZ en eventuele andere behandelaars. Zowel patiënt als behandelaar(s) moeten overeenstemming hebben over de diagnose en welke behandeling ingezet gaat worden. In de praktijk kunnen huisarts en POH GGZ niet op elk moment met elkaar afstemmen, daarom moeten de diagnose, het onderzoek en het behandelplan helder in het HIS beschreven staan. Meer informatie over hoe episode gericht geregistreerd kan worden met behulp van SOEP-systeem en ICPC-codering: Registratie in het HIS door POH-GGZ. Een belangrijke randvoorwaarde is dat de POH GGZ toegang heeft tot het HIS.

5.3 Basisinterventies (Bijlage: E-mental Health en Farmacotherapie)

Psycho-educatie & advisering
Psycho-educatie is een basisinterventie die bij alle patiënten wordt uitgevoerd, ongeacht de ernst van de aandoening of co-morbiditeit. Er worden individuele adviezen gegeven die de patiënt activeren en een gezonde leefstijl bevorderen. De informatie is afgestemd op de kennis en belevingswereld van de patiënt en zijn naasten. Het kan gaan om mondelinge of schriftelijke informative.

E-mental health
Met de term e-mental health wordt bedoeld: het gebruik van ICT om gezondheid en gezondheidszorg te ondersteunen en/of verbeteren. Hieronder vallen o.a. online behandelprogramma’s, op basis van een combinatie van internet- en face to face contacten. Online zelfhulpprogramma’s vallen hierbuiten.

Doelgroep: Een e-mental health programma is geschikt indien bij een patiënt sprake is van lichte problematiek en de patiënt het vermogen heeft (semi) zelfstandig de problematiek aan te pakken. Een e-mental health programma is niet bedoeld voor patiënten die:

  • de problematiek niet zelfstandig kunnen aanpakken;
  • onervaren zijn met computers;
  • de Nederlandse taal niet voldoende beheersen.

Methodiek: Binnen het zorgprogramma GGZ is ervaring opgedaan met e-mental health programma’s van ZorgIQ en Ksyos. Het is aan de huisartsenpraktijk welke aanbieder zij kiezen in de begeleiding bij deze nieuwe vorm van zorgaanbod. Meer informatie over e-mental health in onze regio en het aanbod van de twee aanbieders: Factsheet e-mental health

De e-mental health programma’s worden blended aangeboden, dat wil zeggen met begeleiding en ondersteuning van de POH GGZ of huisarts. Er vindt regelmatig contact plaats om de vorderingen en obstakels te bespreken en om de patiënt te motiveren.

Kortdurende begeleiding of behandeling
Kortdurende begeleiding of behandeling met als doel het verminderen van psychische klachten en het versterken van zelfredzaamheid. Hiervoor zijn meerdere gespreksmethoden toepasbaar, met een verschil in duur en uitvoering, zie tabel.

Farmacotherapie bij depressie, angststoornissen, ernstige psychiatrische aandoeningen en ADHD
Farmacotherapie is altijd slechts een onderdeel van de behandeling van patiënten met psychische problemen of een psychiatrische stoornis.

Naast de diagnose is de lijdensdruk bepalend voor de keus tussen gesprekstherapie en/of behandeling met medicatie. Daarbij is er de afweging tussen het beoogde effect en de bijwerkingen. Ook is kennis nodig om te komen tot de juiste keuze van bepaalde startmedicatie, bijvoorbeeld bij vrouwen met een kinderwens.

Van belang is te beseffen dat wetenschappelijk onderzoek bij psychiatrische stoornissen moeilijk is en dat daardoor de werking van psychofarmaca niet altijd goed wetenschappelijk onderbouwd is.

Wat is wel bekend:

  • Sommige patiënten hebben baat alleen maar vanwege het placebo-effect;
  • Sommige patiënten zijn niet therapietrouw;
  • Sommige patiënten krijgen onnodige combinaties;
  • De verschillen in effect tussen de medicamenten binnen dezelfde groep zijn over het algemeen klein;
  • Hoger doseren van SSRI’s vaak niet zinvol is en meer bijwerkingen geeft;
  • Bij depressie is zowel sprake van overbehandeling als van onderbehandeling, binnen de 1e lijn en de specialistische zorg. Een antidepressivum heeft alleen zin als sprake is van een matige tot ernstige depressie;
  • Antipsychotica hebben vaak ernstige bijwerkingen.

Meer informatie over farmacotherapie per doelgroep per veelvoorkomende aandoeningen: Farmacotherapie per doelgroep

 

5.4 Terugvalpreventie
Bij voldoende herstel op de behandeling en bij het bereiken van stabiele remissie dient altijd terugvalpreventie plaats te vinden. Terugvalpreventie betreft een of enkele handelingen / gesprekken met individuen die samenhangen met een behandeling die zij hebben ondergaan voor een psychische ziekte, gericht op het voorkomen en/of vroeg herkennen door het individu zelf van terugkeer van de klachten. Terugvalpreventie vormt vaak de laatste fase van de behandeling.

Risicodoelgroepen voor terugval:

  • patiënten met zowel een somatische als psychische aandoening;
  • patiënten met een psychiatrische aandoening;
  • stabiele EPA patiënten;
  • patiënten met een recidiverende chronische psychoses, verslaving, bipolaire stoornis, angststoornis, persoonlijkheidsstoornis
  • depressie en suïcidaliteit in vg.

In de GGZ zijn diverse preventiegroepen mogelijk: overzicht preventiegroepen. GGZ Delfland biedt bij voldoende vraag deze groepen. Er bestaat de mogelijkheid om als POH-GGZ een groepsconsult aan te bieden.

Beëindiging behandeling
De behandeling of begeleiding binnen de huisartsenpraktijk wordt in overleg met de patiënt afgesloten als de doelen behaald zijn. Als gebleken is dat de problematiek te ingewikkeld of te ernstig is en een behandeling elders noodzakelijk is wordt verwezen. Bij kwetsbare patiënten is het zinvol een vinger aan de pols contact af te spreken.

Het is hierbij zinvol onderscheid te maken tussen kortdurende zorg en chronische zorg. Kortdurende zorg is gericht op “genezing” door middel van behandeling, terwijl chronische zorg gericht is op voorkomen van terugval door middel van ondersteuning en begeleiding.

Niet alleen een diagnose is bepalend voor het beleid, maar ook het doel dat nagestreefd wordt. Hierbij is van belang dat patiënt en behandelaar het eens zijn over diagnose, doel en beleid.

 

6. Rol van de huisarts als poortwachter

De huisarts vervult de rol van poortwachter voor generalistische basis GGZ en specialistische GGZ. Hij/zij verwijst patiënten zoveel mogelijk door op grond van vigerende richtlijnen, de klinische blik, zorgstandaarden en samenwerkingsafspraken met de andere echelons.

6.1 Doorverwijzen
De huisarts/POH GGZ bepalen in overleg met de patiënt welke zorg nodig is. Afhankelijk van de ernst of complexiteit van het beeld zal de huisarts/POH GGZ, na het stellen van een diagnose, zo nodig de patiënt doorverwijzen. Daar is voor nodig dat onderscheid gemaakt wordt tussen GBGGZ, SGGZ en psychosociale hulpverlening. Waar mogelijk maakt de huisarts bij verwijzing gebruik van zorgdomein.

De POH-GGZ heeft zicht op de sociale kaart op lokaal niveau. In deze kaart staan naast de disciplines de verwijsvoorwaarden en hoe de zorg gefinancierd (eigen risico) is. Hierbij kan de POH-GGZ o.a. gebruik maken van de app van Psyzorg Hoflanden. De GBGGZ wordt geboden door de vrijgevestigde psychologen of GZ psychologen en door teams van de GGZ instellingen.

Regionaal uitgangspunt is dat de patiënt binnen maximaal zes weken een eerste gesprek krijgt, waarbij de intake en behandeling door dezelfde persoon gebeurt. Als de behandelaar na de intake van oordeel is dat de patiënt beter elders behandeld kan worden, zal dit alleen na overleg met de verwijzers gebeuren. Klik hier voor het stroomschema voor verwijzing huisarts – GGZ Delfland.

 

6.2 Consultatie
GGZ consultatie is een zo gericht mogelijke vraagstelling van de huisarts of POH GGZ aan een GGZ- specialist ( = psychiater, psycholoog) over een individuele patiënt betreffende diagnostiek, behandeling en/of verwijzing. De uitkomst hiervan is een medisch advies van de consultatiegever aan de consultatievrager. Het betreft geen medebehandeling. Vormen van consultatie actief in de regio:

  1. Psyzorg biedt kosteloze telefonische consultatie van een psycholoog.
  2. GGZ Delfland biedt kosteloze telefonische consultatie van een psychiater. Zie de Zorgkaart GGZ Delfland .
  3. GGZ Delfland biedt eenmalige face-to-face consultatie (aan te vragen via zorgdomein) van een psychiater. Dit verloopt via een DBC en komt ten laste van het eigen risico van de patiënt.
  4. GGZ kaderartsen zijn beschikbaar in de vorm van een telefonische consultatie of door middel van face tot face contact samen met of zonder de vraagsteller. Het voordeel voor de patiënt is dat het niet ten koste gaat van het eigen risico. Er is echter geen financiering voor de GGZ kaderhuisarts.

De consultatievrager: consultatie kan worden aangevraagd door de huisarts of door de POH GGZ onder regie van de huisarts.

De consultatiegever: consultatie kan worden gegeven door een BIG-geregistreerde GGZ aanbieder, vrijgevestigd of verbonden aan een GGZ instelling.

6.3 Informatie-uitwisseling
In de regio is de afspraak Verwijzing & informatie-uitwisseling tussen huisarts en GBGGZ en SGGZ van kracht. Dit praktische document heeft als doel om elkaar makkelijker te vinden in de regio: Afspraken verwijzing en informatie-uitwisseling.

 

7. Samenwerking

 

7.1 Huisartsen en POH-GGZ

Uitgangspunt NHG-standaard – De POH-GGZ maakt deel uit van het team van de huisartsenpraktijk en ondersteunt de huisarts in de zorg voor patiënten met psychische problemen. De eindverantwoordelijkheid van de huisarts maakt het belangrijk dat hij deskundig is op het terrein van de veelvoorkomende psychische problemen, samenwerkt met de POH GGZ en deze kan aansturen.

 

Samenwerking huisarts en POH-GGZ
Als een patiënt vanuit de huisartsenpraktijk niet verwezen wordt, maar behandeling wel geïndiceerd is, kan de behandeling onder bepaalde voorwaarden gedaan worden door de huisarts, door de POH-GGZ of door beiden. Daar de regie van de behandeling bij de huisarts ligt is een intensieve samenwerking tussen huisartsen en POH-GGZ onmisbaar. Voor deze samenwerking is het nodig dat huisarts en POH-GGZ elkaar verstaan.

De POH-GGZ zal zich de huisartsendiagnostiek en het huisartsengeneeskundig handelen eigen moeten maken. Gezien de beperkte duur van de POH GGZ opleiding kan dat in de praktijk wel enige tijd kosten. De huisarts daarentegen zal op de hoogte moeten zijn van de verschillenden therapievormen, de indicaties, de mogelijkheden en de beperkingen van de verschillende therapieën. Daarnaast moet de huisarts op de hoogte zijn van de kennis en vaardigheden van de POH-GGZ.

De POH-GGZ ziet een patiënt meestal op verzoek van de huisarts waarbij de huisarts een duidelijke vraag of een plan heeft opgesteld. Soms zal de vraag zijn om de patiënt te begeleiden of te behandelen, een volgende keer zal de vraag zijn om de problemen in kaart te brengen en een beleid te formuleren. Indien de POH-GGZ de mate van ernst en/of complexiteit anders inschat dan de huisarts (bijv. in geval van suïcidaliteit of een ernstige psychiatrische aandoening) zal de POH-GGZ overleggen met de huisarts. De POH-GGZ onderzoekt in hoeverre de patiënt gemotiveerd en in staat is om iets aan zijn klachten te doen. In overleg met de patiënt kan de POH-GGZ kiezen om de patiënt te ondersteunen of te behandelen. Als het gaat om het uiteindelijke resultaat is de behandelrelatie tussen patiënt en POH-GGZ veelal belangrijker dan de aard van de behandelmethode.

Overleg huisarts – POH-GGZ
Daar de huisarts verantwoordelijk is moet de huisarts te allen tijde laagdrempelig geconsulteerd kunnen worden. Naast de mogelijkheid van ad hoc overleg is het aan te raden om een structureel overleg tussen huisarts en POH-GGZ te organiseren. In de praktijk varieert dit van nabespreking van elk spreekuur tot een maandelijkse patiëntenbespreking. Aanbeveling is om in ieder geval structurele afspraken te maken voor de volgende momenten:

  • Overdracht patiënt van huisarts naar POH
  • Plan POH-GGZ: advies zelf behandelen of doorverwijzen
  • Evaluatie voortgang
  • Bespreken van patiënten langer in zorg (>5 contacten)

In bijgaand document is een leidraad opgenomen om interne werkafspraken te maken tussen de POH-GGZ en de huisarts. Denk aan interne overlegmomenten, agendaplanning, verwijzing patiënten, medicatie, consultatie en verrichtingen.

Juridische verantwoordelijkheid
Bij wie de aansprakelijkheid ligt voor het handelen van een POH-GGZ is per geval afhankelijk van de omstandigheden. Pas bij het analyseren van een casus kan worden geconcludeerd of de aansprakelijkheid ligt bij de POH GGZ, de huisarts of misschien bij beiden. Wel zijn in dit kader enkele algemene opmerkingen te maken, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de POH GGZ – met uitzondering van de SPV’er – geen voorbehouden handelingen uitvoert en niet valt onder de Wet BIG. Meer informatie: juridische verantwoordelijkheid.


7.2 POH-GGZ – POH S bij somatische aandoeningen

Soma en psyche behoren per definitie tot het domein van de huisartsgeneeskunde. Er zijn drie groepen patiënten waarbij psychische stoornissen gepaard kunnen gaan met lichamelijke klachten en andersom.

  • Patiënten met een chronische ziekte
  • Patiënten met kanker
  • Ouderen met somatische en psychische aandoeningen

Hoewel nog niet gebruikelijk kan samenwerking tussen POH GGZ, POH-s en huisarts bij deze patiëntengroepen een kwaliteitsverbetering opleveren. Een eventuele taak cq. samenwerking met de poh-s zal sterk samenhangen met de achtergrond (psychologie, spv, maatschappelijk werk) van de POH GGZ.

7.3 Overname patiënten SGGZ
Door de specialistische GGZ (SGGZ) worden patiënten die zijn uitbehandeld voor begeleiding en/of nazorg verwezen naar de Basis GGZ: huisartsenpraktijk of Generalistische Basis GGZ (GBGGZ). Met GGZ Delfland zijn afspraken gemaakt over hoe deze patiënten op een zorgvuldige wijze en met de benodigde gegevens over te dragen. Doel is om de werkwijze bij de overdracht vanuit de SGGZ voor patiënten en zorgverleners duidelijk omschreven te hebben. In deze werkafspraak staat informatie over dit proces van ontslag en overdracht, zowel wat betreft logistiek als berichtgeving en de consultatiemogelijkheden bij (nieuwe) problemen. De volledige werkafspraak: Terugverwijzen van stabiele chronische psychiatrische patienten uit SGGZ. Of bekijk direct het stroomschema.


7.4 Bij acute psychische problemen

De huisarts zorgt in voorkomende gevallen voor de eerste opvang van acute psychische problematiek en beslist dan welke nadere diagnostiek en behandeling noodzakelijk zijn, rekening houdend met de context en mogelijke gevaar voor de patiënt zelf dan wel voor zijn omgeving. Als er sprake is van acute psychische problemen kan de huisarts contact opnemen met de crisisdienst van GGZ Delfland voor advies, overleg of beoordeling. In dit protocol staan de telefoonnummers en werkafspraken voor zowel binnen als buiten kantoortijden.

 

8. Deskundigheidsbevordering

Deskundigheidbevordering wordt in deze handreiking uiteen gezet in intervisie en nascholing.
Nascholingscurriculum

Intervisie
In de functieomschrijving van de POH-GGZ staat dat de POH-GGZ een vorm van intervisie moet volgen. Bij intervisie worden, binnen een groep van ongeveer 8 collega’s, ingewikkelde situaties volgens een gestructureerde methode besproken. Afhankelijk van het probleem staat de inbrenger centraal of de patiënt. De intervisie moet geleid worden door een getrainde begeleider (bijvoorbeeld een GGZ kaderhuisarts) om het proces te bewaken en huisartsgeneeskundige visie en deskundigheid zo nodig in te brengen. In dit zorgprogramma wordt geadviseerd om intervisie maandelijks te organiseren. Elke POH-GGZ heeft afhankelijk van het aantal uren van de aanstelling tussen 12-20 uur intervisie per jaar. Bij gedetacheerde POH-GGZ regelt de instelling de intervisie. Als de POH-GGZ in dienst is van de huisarts zal de huisarts en/of POH-GGZ dit zelf organiseren en de voorwaarden te bespreken.

In de Handreiking intervisie staan handvatten voor het opzetten van intervisie en staat een beschrijving van de verschillende vormen van intervisie die bestaande intervisiegroepen kunnen gebruiken.

 

9. Financiën

GGZ in de huisartsenpraktijk
In 2007 is de beleidsregel voor de POH-GGZ vastgesteld door de NZa. De belangrijkste elementen zijn:

  • POH-GGZ salaris (70%)
  • Infrastructurele voorzieningen (10%)
  • Managementtijd (20%)

Achter de elementen staat aangegeven wat de landelijke aanbeveling is qua verdeelsleutel. Managementtijd omvat zowel de casuïstiekbespreking tussen huisarts en POH-GGZ als de ontwikkeling van een visie op GGZ in de praktijk.

De LHV heeft een rekenmodel POH-GGZ waarmee u, naast het inzichtelijk maken van de kosten, inkomsten en resultaten, kunt berekenen wat de declarabele productie van de POH-GGZ moet zijn om die kostendekkend in te kunnen schakelen. In deze regio hanteert DSW geen consulttarief, wat betekent dat het rekenmodel voor de inzet POH-GGZ anders is opgebouwd.

In het geval van specifieke wensen van een huisartsenpraktijk met betrekking tot opleiding, methoden/technieken en vaardigheden, die niet direct tot de functionele eisen van een POH-GGZ behoren, zal overleg gevoerd worden over de te maken kosten en declaratie daarvan door de instelling en de betreffende huisartsenpraktijk.

9.1 CAO POH-GGZ
POH-GGZ is een zelfstandige functie op HBO+ of academisch niveau. De Landelijke Vereniging voor POH-GGZ heeft het volgende opgenomen betreffende het salaris:

Voor startende POH’s GGZ zonder ervaring geldt als minimum – volgens de CAO huisartszorg – schaal 8: salaristabel cao huisartsenzorg 2016. Voor ervaren senior POH’s GGZ doet de LV POH GGZ de aanbeveling voor schaal 9 of 10 of vergelijkbaar met schaal 55-60 CAO GGZ.

9.2 Inzet POH GGZ per praktijk
Landelijk is er geen norm voor de consultduur vastgesteld. De tijd die een POH-GGZ voor een consult heeft verschilt per praktijk. Ook zijn er praktijken waar de tijd voor een consult en een eerste gesprek verschilt. Reden hiervoor is dat in de SGGZ een eerste gesprek als intake geldt en hiervoor 1,5 uur beschikbaar is. In de huisartsenpraktijk heeft de huisarts al een of meerdere gesprekken gehad voordat de patiënt voor een eerste gesprek bij de POH-GGZ komt. Dit betekent dat er, zeker met goede dossiervoering, informatie beschikbaar is. Aanbeveling in deze regio is dat de huisarts een gespreksduur afspreekt van gemiddeld 30 minuten. Belangrijk is dat je moet kunnen differentiëren. Een eerste gesprek vraagt mogelijk meer tijd, landelijk lijkt 45 minuten gebruikelijk, terwijl andere gesprekken minder tijd vragen. Ook dienen de inzet in uren en de achtergrond van de POH-GGZ aan te sluiten op de behoefte van de praktijk. Tenslotte heeft een wijk met veel verzorgingsflats een andere vraag dan een praktijk in een achterstands- of nieuwbouwwijk. Tevens is het kennisniveau en affiniteit met GGZ problematiek van de huisarts van invloed.

In de afspraken die gemaakt worden tussen de huisartsen en POH-GGZ/werkgever dient rekening gehouden te worden met andere taken zoals spoed, telefonisch spreekuur, overleggen en projectmatige taken.

9.3 Werkgeverschap POH GGZ
Voor het starten met POH GGZ heeft de huisarts een aantal mogelijkheden. In hoofdlijnen komt het neer op de volgende varianten: huisarts als werkgever, ZZP of detachering. Voor een toelichting op deze varianten: Werkgeverschap POH GGZ – 2018.

 

10. Downloads

Hieronder vind u een overzicht van alle te downloaden documenten.